Behandel de zorgvrager als koning

Behandel de zorgvrager als koningWe moeten in de zorg meer toe naar een de-klant-is-koning principe zoals een ondernemer dat hanteert. Die luistert goed naar wat de klant nodig heeft, doet een passende aanbieding en legt de afspraken vast in een contract dat beide partijen ondertekenen. Een zakelijke houding die nodig is want de ondernemer wil alleen leveren wat is afgesproken. Voor meerwerk wordt het contract aangepast en de prijs verhoogd. De houding van een goede ondernemer is niet alleen zakelijk, maar zeker ook gericht op de relatie. Hij is vriendelijk en meedenkend, want hij wil dat de klant later terugkomt voor een nieuwe opdracht.

De beroepshouding die ik in de zorg vaak tegenkom is: ‘Ik doe het nog wel even’. Bijvoorbeeld iemand een extra douchebuurt geven als daar om wordt gevraagd. Vaak uit medeleven met de zielige zorgvrager. Maar de beroepshouding die ik graag zou zien is enerzijds professioneel en zakelijk, en anderzijds vriendelijk en meedenkend.

Essentieel voor het zakelijke aspect is het maken van duidelijke afspraken en het vernieuwen van die afspraken als dat nodig is. De basis hiervoor ligt in het zorgplan of het verpleegplan. Dat is in feite een zakelijk contract dat zowel door de zorgaanbieder als de zorgvrager ondertekent moet worden. Vervolgens vormt het de basis voor het handelen van de zorgverlener. Er kunnen ook afspraken in staan die de zorgvrager moet nakomen, bijvoorbeeld zelf de kamer opruimen of zelf douchen.
Ik merk vaak dat het zorgplan wordt gezien als een administratieve bijkomstigheid en niet als basis voor handelen. Dat is vreemd want in het zorgplan staan alle essentiële afspraken. En als besloten wordt dat extra zorg nodig is dan moet dat meteen worden aangekaart bij het indicatieorgaan of de verzekeraar. Belangrijk is dat de afspraken in het zorgplan vervolgens worden aangepast in overleg met de zorgvrager.

Een goede rapportage van de zorg is ook van belang. Op grond hiervan kan het zorgplan worden aangepast. Ik vraag aan mijn stagelopende leerlingen of ze de rapportage wel eens bespreken met de zorgvrager. Dat blijkt vrijwel nooit te gebeuren, al was het alleen maar omdat die er nooit naar vraagt. Er worden regelmatig eenzijdig gemaakte afspraken in opgenomen. Daarmee komen we niet tot een up-to-date zorgplan waarin afspraken staan die met wederzijdse instemming zijn gemaakt.

Hoe kan je komen tot een de-klant-is-koning benadering? Begin met aan de zorgvrager te vragen wat hij aan zorg nodig heeft, in plaats van wat hij graag zou willen. Kom tot duidelijke afspraken over de te leveren zorg en over wat van de zorgvrager wordt verwacht. Behandel hem als koning in de commerciële wereld: iemand voor wie je je best doet zodat hij graag bij jou terugkomt. Maar houd je ook aan de afspraken in het zorgplan en werk alle afspraken bij in overleg met de zorgvrager.

Geef ouderen weer een toekomst

Hendrik Groen gefeliciteerd met de NS Publieksprijs. Ik gun het je van harte! En wat leuk dat je de prijs bij Matthijs van Nieuwkerk liet ophalen door twee vlotte chicks uit het verzorgingshuis. Nu zoveel mensen van jouw dagboeken hebben genoten, wil ik eens mijmeren over wat zorgverleners er uit kunnen leren.

ouderenBewoners van een verzorgingshuis gedragen zich nogal passief in de ogen van jonge verzorgenden. Ze wachten tot de koffie voor ze wordt neergezet en blijven met hun gesprekken vaak hangen in het verleden. Hoogtepunten zijn ’s avonds bingo spelen of tv kijken en morgen volgt er weer eenzelfde dag. Oudere mensen weten gewoon niet zo goed hoe ze hun resterende leven zinvol kunnen invullen.

Hier ligt een taak voor verzorgenden en verpleegkundigen. Vraag jezelf af waar iedereen individueel voor warm zou kunnen lopen. Verdiep je in hun achtergrond: wat vonden ze vroeger leuk maar lukt nu niet meer? Buig het om naar iets zinvols. Ik denk hierbij aan de man met een dwarslaesie die vroeger een fervent biljarter was. In een rolstoel kon hij zich nuttig maken als scheidsrechter. Het leven krijgt waarde als je dromen hebt, een doel kunt nastreven, als anderen je nodig hebben. De zin in het leven teruggeven aan ouderen vergt veel creativiteit van de zorgverlener. Volgens mij is het de kunst om mensen met de juiste vragen op nieuwe gedachten te brengen.

Hendrik Groen begon weer te leven nadat er in het verzorgingshuis een clubje was opgericht. Er werden activiteiten ondernomen waarvoor de leden zelf alles moesten regelen. Doelen stellen, de hersens weer gebruiken, het eigen netwerk aanspreken voor vervoer. De clubleden liepen vaak aan tegen regels of betutteling. Een fraai voorbeeld vond ik dat de kok zich persoonlijk beledigd voelde als het clubje zich afmeldde om buiten de deur te gaan eten. Maar Hendrik en zijn vrienden vonden hun weg ondanks de bureaucratie en de locatiemanager.

Wat zorgverleners van Hendriks dagboeken kunnen leren is dat ze moeten ophouden met betuttelen en het verzinnen van onnodige regels. Geef mensen de vrijheid om hun dromen na te leven. Geef ouderen weer een toekomst!

Meer hoogopgeleide verpleegkundigen nodig in verpleeghuizen

Verpleegkundige met vriendelijke seniorHet is momenteel niet leuk om bestuurder bij een zorginstelling te zijn. Van de overheid moeten bestuurders vorm geven aan een veranderend beleid met een krap budget en aan de andere kant worden ze door diezelfde overheid hardhandig op de vingers getikt als ze nog niet aan een overmaat aan regels voldoen. Ook Florence in Den Haag staat op de zwarte lijst van de inspectie en de Volkskrant publiceerde op 9 augustus een interview met zorgbestuurder Ben van Gent. Op de vraag waarom cliënten van Florence momenteel niet de juiste zorg kunnen krijgen antwoordde hij: “Omdat we niet genoeg hoogopgeleid personeel hebben. We hebben honderd vacatures uitstaan, maar het is geen populair specialisme onder studenten”.
Ik ben het op dit punt met Van Gent eens. Ook ik merk dat verpleeghuizen een lage status hebben in de ogen van MBO stagiaires en afgestudeerde verpleegkundigen en dat zal bij HBO-ers niet minder zijn. Hun beeld van verpleeghuizen is 1) eentonig, 2) lichamelijk zwaar, en 3) weinig technisch uitdagend. Het zal lastig zijn om die beeldvorming een positieve wending te geven, juist omdat er in deze instellingen nog weinig verpleegkundigen met een hogere opleiding rondlopen. En tijdens stages zal de negatieve beeldvorming vaak worden bevestigd.

Een toelichting op de beeldvormingsaspecten:
1. Bij eentonig wil ik opmerken dat elk werk routinematige taken bevat. In een verpleeghuis is minder verloop onder de patiënten dan in een ziekenhuis en dan kan je de reacties van patiënten soms woordelijk voorspellen. Die eentonigheid kan je zelf verminderen door je meer te verdiepen in de zorgvrager, zowel in zijn ziektebeelden als in zijn leven en toekomstmogelijkheden. Een andere oplossing kan zijn om te rouleren zodat je niet elke dag dezelfde patiënten krijgt. Dat voorkomt tevens blinde vlekken bij langdurige zorg: door dagelijks contact zie je soms de veranderingen niet meer.
2. Ziekenhuizen bieden relatief snelle, dynamische zorg. Patiënten worden opgenomen, behandeld en gaan weer naar huis. In verpleeghuizen is er meer basiszorg waardoor het werk lichamelijk zwaar kan zijn. Maar dat hoeft niet als de organisatie op orde is en patiënten waar nodig met hulpmiddelen of met een collega verplaatst kunnen worden. En dan mag men collega’s er best op aanspreken als zij hun rug onnodig belasten terwijl er 20 meter verderop een tillift klaar staat.
3. Leerlingen hechten altijd (te) veel waarde aan verpleegtechnisch handelen en het klopt dat dit aspect in verpleeghuizen minder uitdagend is. De uitdaging ligt natuurlijk in de essentie van de verpleegkunde: op een efficiënte en effectieve wijze de totale zorg bieden aan de zorgvrager. De daarvoor benodigde vaardigheden zijn observeren, signaleren en analyseren. Voor deze vaardigheden is een HBO-denkniveau gewenst.
Het is van groot belang dat het niveau van de verpleging snel omhoog gaat. Ik ken verpleeghuizen die op papier een uitstekende visie uitdragen, maar deze niet operationeel kunnen maken door gebrek aan geschikt personeel.

Wat kunnen verpleeghuizen doen om meer hoog opgeleid personeel te krijgen?
Mijn advies is om te beginnen met het creëren van betere stageplaatsen. Hierboven heb ik laten zien waarom stagiaires bij voorkeur niet kiezen voor het verpleeghuis. En als ze er binnenkomen dan worden ze door een tekort aan personeel vaak volledig ingezet voor verzorgende werkzaamheden en is er weinig tijd voor verdieping van hun verpleegkundige competenties. Maak die stages uitdagender!
Daarnaast kan er wellicht samen met de opleidingen worden geprobeerd om het dynamische karakter van de zorg in de verpleeghuizen onderdeel van de beeldvorming te maken.
Tenslotte vraag ik mij bij honderd onvervulde vacatures af hoe die er uit zien. Is de functieomschrijving aantrekkelijk, worden de doorgroeimogelijkheden vermeld, worden er voldoende uren en een vast contract geboden? En last but not least, wordt er een bij de functie passend salaris geboden?

Mijn korte-termijnbijdrage aan de oplossing bestaat uit de volgende oproep:
Wil je als goede verpleegkundige een nuttige bijdrage leveren aan veranderingen in de zorg? Wil je graag mensen met veel levenservaring helpen tijdens de laatste fase van hun leven? En heb je bovendien oog voor het geheel van lichamelijke, psychische en sociale ongemakken bij zorgvragers? Overweeg dan een baan in een verpleeghuis!

Een Finse instelling voor ouderenzorg

Finland OuderenzorgHet bezoek aan een verpleeg- en verzorgingshuis in Jyväskylä vormde een interessant onderdeel van de reis naar Finland waar ik de vorige keer over blogde. In deze instelling kunnen ook ouderen zonder verzorging wonen en dat was een vrij nieuw concept voor Finland. Deze ‘ouderen’ blijken al vanaf 55 jaar welkom te zijn in een kamer op de hogere verdiepingen. De ouderen mèt zorg zijn voornamelijk op de begane grond gehuisvest; hier liggen ook de noodzakelijke voorzieningen. Opmerkelijk is dat de Nederlandse overheid gecentraliseerde verzorging wil afschaffen terwijl er in Finland juist ruimte ontstaat om deze zorg naar de instellingen te verplaatsen.

Ik vind het een vreemd idee dat ik er over niet al te lange tijd zelf een kamer zou kunnen huren, gelet op de leeftijdsgrens. Dat is overigens geen aantrekkelijke optie omdat ik de kamers erg klein vind. Daar staat als pluspunt tegenover dat er naar goed Fins gebruik een sauna in het gebouw aanwezig is. En dat lijkt me dan weer heerlijk.

Er was in het huis veel personeel aanwezig in vergelijking met de Nederlandse situatie. Ik kan me voorstellen dat cliënten daardoor minder snel een luier opgedrongen krijgen omdat er geen tijd is om ze regelmatig naar de wc te begeleiden. De opbouw van het personeelsbestand verschilde ook. In een Nederlands verpleeghuis lopen veel specialisten rond, zoals fysiotherapeuten, ergotherapeuten, diëtisten en logopedisten. In de Finse situatie worden alle taken verricht door ‘practical nurses’ (verpleegkundigen) met een ‘polytechnic nurse’ (HBO-verpleegkundige) als teamleider. Een uitvloeisel van dit systeem kan zijn dat niet iedere cliënt de op hem toegesneden zorg krijgt. Maar er zijn wel meer handen aan het bed waardoor de cliënt veel aandacht zal krijgen met meer levensvreugde tot gevolg. Zo heeft elk systeem zijn voor- en nadelen.

Het uitdelen van medicijnen leverde een onvervalst déjà vu-moment op. Op een karretje stonden pillenbekers voor verschillende patiënten die vanuit voorraadpotten werden gevuld. Zo heb ik het 35 jaar geleden ook geleerd, maar sinds die tijd is er veel veranderd op het gebied van kwaliteitszorg. Toen ik aangaf dat je zo minder goed kunt controleren of elke patiënt de juiste medicijnen ontvangt, hoorde ik een illustratief verhaal. Een tijdje terug was iemand tegen de kar opgelopen en waren alle bekers omgevallen. Het was toen een heel karwei geweest om alles weer in de juiste potjes te krijgen; weggooien en opnieuw beginnen was blijkbaar geen optie.
Een plezierige ervaring vond ik de rust en gezelligheid tijdens de lunch. Dat kwam niet alleen doordat elke afdeling over verschillende leuk aangeklede zitjes beschikte, maar ook doordat de maaltijden netjes werden opgediend en de verpleegkundigen er even bij gingen zitten voor  een praatje. Dat gun ik de Nederlandse ouderen ook.

Ik sprak een jonge verpleegkundige die een cliënt fysio-oefeningen liet doen. Ze had in haar driejarige opleiding geleerd om de fysio-toestellen op de juiste wijze te gebruiken en ze beschikte over boekjes met oefeningen. Hiermee ging ze voortvarend aan de slag. En dat is natuurlijk een geheel andere benadering dan die van onze fysiotherapeuten met een vierjarige HBO-opleiding. De verpleegkundige controleerde voornamelijk of de cliënt het apparaat goed gebruikte. Ik legde uit dat haar Nederlandse collega’s dit werk overlieten aan een fysiotherapeut. En ik schoot in de lach toen ik haar oprechte verbazing bemerkte over het feit dat onze verpleegkundigen  een jaar langer onderwijs krijgen maar dit soort dingen niet leren: “Wat doen ze dan al die tijd op school?”.

 

Zorgonderwijs in Finland

Finland ZorgonderwijsDe mei-vakantie heb ik nuttig besteed aan een studiereis naar Finland. Dit land wordt tenslotte vaak geprezen als een onderwijskundig Walhalla. Ik heb er in Jyväskylä meerdere gesprekken kunnen voeren met collega-docenten uit het zorgonderwijs en ik mocht er diverse lessen bijwonen.

Mijn eerste interesse betrof het vaststellen van de verschillen met het Nederlandse zorgonderwijs. Zo duurt de opleiding voor verpleegkundige bij ons vier jaar waarbij in het laatste jaar gekozen wordt voor een van de vier uitstroomrichtingen: ‘verpleeg- en verzorgingshuizen en thuiszorg’, ziekenhuiszorg,  gehandicaptenzorg en psychiatrie. In Finland duurt de opleiding slechts drie jaar met eveneens een specialisatie in het laatste jaar. Het aantal uitstroomrichtingen is echter negen, waaronder tandartsassistente,  ‘kind- en jeugdzorg’ en ‘emergency care’. De eerste jaren van de opleiding zullen daarom verschillend worden ingevuld. De Nederlandse verpleegkundige krijgt de specialisatie-onderwerpen op een instapniveau aangeboden in de onderbouw en dat geldt ook voor de Finse ‘nurse practioner’. Echter, bij ons gaat het om vier onderwerpen tijdens drie jaar onderbouw en in Finland om negen stuks in twee jaar. Het ligt daarom voor de hand dat de uitstroomniveau’s voor die onderwerpen in Nederland en Finland zullen verschillen.

Toetsen en examineren heeft mijn speciale interesse. Anders dan bij ons blijkt er in Finland vrij weinig getoetst te worden. De achtergrond is principieel van aard, men verwacht een lerende houding en interesse voor de leerstof; een te controlerende houding van de opleiding zou hierbij kunnen afschrikken. Voor alle leerlingen wordt een persoonlijk  leerplan opgesteld en de docent beoordeelt aan de hand van het  portfolio van de leerling of deze het gewenste niveau heeft behaald.

In de loop van het laatste jaar doet men examen. De leerling stelt een plan van aanpak op om de vooraf beschreven competenties te behalen. De competenties zijn landelijk vastgesteld. In dit plan van aanpak beschrijft de leerling hoe de competenties moeten worden behaald en daarvoor worden per leerling andere afspraken gemaakt. De examenperiode valt samen met de laatste stageperiode van zes weken en hierin worden de competenties getoetst. De leerlingen krijgen dus alleen een praktijkexamen. De theoretisch kennis wordt  na het doorlopen van de onderbouw verondersteld voldoende te zijn. Overigens zullen de leerlingen bij een goedgekeurd plan van aanpak  alleen nog voor het examen zakken indien ernstige fouten worden gemaakt, denk aan het in gevaar brengen van het leven van een patiënt. De leerlingen mogen pas examen doen na herhaaldelijke oefenen in de praktijk. De beoordeling van elke competentie is minimaal ‘voldoende’ en anders wordt het ‘goed’ of ‘heel goed’. Vanuit de arbeidsmarkt is er een gezonde prikkel om voor  de laatste twee opties te gaan. Want als er alleen maar voldoendes  op iemands cijferlijst staan is de kans op een relevante baan nihil.

Waar komt toch de grote belangstelling voor het Finse onderwijssysteem  vandaan? Ik heb er geen uitvoerig onderzoek naar verricht maar kan wel aangeven wat mij is opgevallen. Allereerst is er de gratis warme lunch voor leerlingen; fijn dat men zich niet beperkt tot het verstrekken van geestelijk voedsel. En de lunch is bepaald niet het enige dat gratis is – voor het hele onderwijs hoeft namelijk niets te worden  betaald. In tegenstelling tot Nederland doet men trouwens ook niet bekrompen over het stapelen van studies. Zo sprak ik een leerling die was geslaagd in de populaire specialisatie ‘emergency care’ maar daar geen werk in had kunnen vinden. Die was nu opnieuw bezig aan het  laatste jaar, maar dan met een uitstroomrichting die beter aansluit bij de arbeidsmarkt.
Het gratis onderwijs heeft ook een positieve uitwerking op het  opleidingsniveau van de docenten gehad en de meesten hebben een master  afgerond. Waar ik een paar jaar geleden aanhikte tegen de kosten van een masteropleiding (16.000 euro) vormt dit voor Finse collega’s geen enkel obstakel. Het onderwijssysteem lijkt mij erg kostbaar al heb ik horen vertellen dat het niet veel duurder zou zijn dan ons systeem. Ik kan het mij moeilijk voorstellen als ik ook nog mijn indruk meeneem dat er per leerling veel meer docenten werkzaam zijn. Echter, ook in Finland moet men bezuinigen en mijn Finse collega’s vrezen de ophanden zijnde efficiency-slag.

Ik  ben te kort in Finland geweest om te kunnen vaststellen of zich hier de onderwijskundige hemel bevindt. De werksfeer en onderwijskundige mogelijkheden leken me in elk geval prima in orde.
Waar ik erg van genoten heb was een sterke overeenkomst tussen de Nederlandse en Finse leerling. En dan bedoel ik niet het voortdurend gespeel met smartphones tijdens de lessen maar het volgende. Als ik vroeg naar hun ervaringen met school waren ook de Finse leerlingen ervan overtuigd dat ze de belangrijkste kennis opdeden tijdens hun praktijkstages en vrijwel niets nuttigs leerden op school. Ik weet dat het niet zo is, maar dat verandert niets aan het blijkbaar universele beeld van de leerling.

 

De val van mijn moeder

Blog 'De val van mijn moeder' door Paulien KnolWat maak je mee als je oude, enigszins verwarde moeder struikelt en haar bovenarm breekt? Schrijver Ernst Timmer laat een zoon op luchtige toon vertellen wat er achtereenvolgens gebeurt in twee ziekenhuizen en op twee verpleeghuisafdelingen in het DWDD boek van de maand. De zoon raakt al snel geïrriteerd door de informatievoorziening in het ziekenhuis – enerzijds door het ontbreken ervan en anderzijds door tegenstrijdigheden erin. Een paar voorbeelden:
– De week voor de operatie moet de gebroken arm ‘uitzakken’ en daarbij is het noodzakelijk om de pols naar boven te houden. Of juist naar beneden volgens een ander.
– Een verkeerde rollator wordt in overleg met de verpleging verwijderd, maar de volgende ploeg zet hem gewoon weer terug.
De zoon vindt een communicatiesteunpunt in verpleegkundige Anke. Maar die is er helaas niet elke dag.

Bij langdurige zorg zoals in verpleeghuizen en bij de thuiszorg wordt vaak een ´evv-er´ toegewezen, een ‘eerst verantwoordelijk verpleegkundige/verzorgende’. In het verpleeghuis van de moeder is dat Prem. Zij zal voor de toegewezen patiënt de zorg coördineren en ze is daarmee het eerste aanspreekpunt voor patiënt en familie, voor collega’s en voor haar organisatie. De zoon stuit al snel op een zwak punt in dit systeem, namelijk dat zijn aanspreekpunt niet altijd aanwezig is. En hij heeft haar dringend nodig als blijkt dat zijn niet-incontinente moeder met een luier om moet lopen. De verzorgende die hij hierop aanspreekt wil deze ongewenste situatie niet veranderen want het staat voorgeschreven in het door Prem geschreven zorgplan. En Prem is onbereikbaar vanwege nachtdienst.

Een systeem met evv-ers kan prima werken, maar het wordt niet altijd goed uitgevoerd. Bij afwezigheid van de evv-er wordt de zorg natuurlijk overgenomen door collega’s, maar de verantwoordelijkheid voor het zorgplan wordt vaak niet overgedragen. In een goed zorgplan staat duidelijk wat de aanleiding is voor een bepaalde maatregel en wordt de gekozen oplossing gemotiveerd. Ook wordt dit besproken met de patiënt of zijn vertegenwoordiger. Volgens het zorgplan van Prem mag de moeder alleen onder begeleiding naar het toilet omdat ze valgevaarlijk is, terwijl ze niet snapt dat ze op een knopje moet drukken om een begeleider op te roepen. Als oplossing voor dit probleem is voor het gebruik van incontinentiemateriaal gekozen. Het zorgplan was nog niet met de zoon besproken en hij denkt aan een heel andere oplossing, namelijk dat men vaker aan zijn moeder vraagt of ze naar het toilet wil gaan. De zoon vond het verschrikkelijk dat zijn moeder onnodig moest gaan leren om in een luier te plassen. En ik vind het jammer dat de verzorgende die hier op werd aangesproken zich verschool achter het zorgplan en niet in actie kwam om dat aan te passen.

Het betreft hier een gebeurtenis in een roman, maar u mag ervan uitgaan dat dit soort gevallen zich dagelijks in ons land voordoen. Waar het mij om gaan is dat zorgverleners enerzijds goed getraind worden in het opstellen van zorgplannen en anderzijds meer met elkaar praten over de motivering om bepaalde maatregelen aan patiënten op te leggen. Er wordt erg veel overleg gevoerd in de gezondheidszorg, maar dat gaat naar mijn mening soms te weinig inhoudelijk over de patiënt en nog minder over de mens achter de patiënt.

Na deze ernstige woorden wil ik benadrukken dat de situaties in ‘De val van mijn moeder’ met veel humor zijn opgetekend waardoor het een erg leuk boek is geworden voor een breed publiek. Ga dit zeker lezen als je mantelzorger, evv-er of een leerling van mij bent!

 

Steviger in het zadel door een ruiterplan

Thijs Borst en Paulien KnolMoet een vereniging voor gehandicapten een individueel ontwikkel- en omgangsplan opstellen voor haar leden? Nee, dat hoeft helemaal niet – maar ik vind het de moeite waard. Bij de Vereniging Paardrijden Gehandicapten (VPG) Opmeer wordt er in elk geval gebruik van gemaakt. Ik ben al geruime tijd bij deze vereniging betrokken, eerst als begeleider en later als voorzitter. Onlangs zijn we met onze vrijwilligers bij elkaar gekomen om voor elke ruiter en amazone een zogeheten ruiterplan op te stellen of aan te passen.

Onze ruiters zijn vaak meervoudig lichamelijk en/of verstandig gehandicapt. De zwaar lichamelijk gehandicapten worden met een lift op het paard gehesen. Op vrijdagavond zijn de leden welkom in Manege Warnaar en dan krijgen ze rijles in een van de vier groepen. De indeling van de groepen is afgestemd op hun rijvaardigheid. Bij de laagste niveaus loopt naast elk paard een begeleider met een begeleidersteugel. Deze vrijwilliger observeert en stimuleert de ruiter en met de begeleidersteugel kan hij het paard in bedwang houden. De gevorderde ruiters rijden geheel zelfstandig. Voor en na de les zijn de ruiters welkom in de kantine voor een drankje en voor het onderhouden van sociale contacten met elkaar en met de vrijwilligers.

Voorafgaand aan het maken van ruiterplannen hield ik de jaarlijkse bijscholingsworkshop voor de begeleiders. Het thema was dit keer ‘Moeilijk begrijpbaar gedrag’. Sommige leden hebben qua verstandelijke ontwikkeling het niveau van een kleuter, maar ze hebben de levenservaring van een volwassene. Dan is het natuurlijk niet de bedoeling om ze als een kleuter aan te spreken, maar hoe dan wel? In de workshop kregen de vrijwilligers inzicht in het interpreteren van gedrag en kregen ze handvatten uitgereikt om hiermee om te gaan.

Na de bijscholing werd aan de ruiterplannen gewerkt. Elk plan begint met een korte beschrijving, bijvoorbeeld lid A is lichamelijk en verstandelijk beperkt. Hij is sociaal en houdt van gezelschap. Hij heeft last van spasmen en komt soms afwezig over. Daarna volgen er één of twee doelen, bijvoorbeeld A leert in het komend jaar een half rondje draven. Tenslotte volgen aandachtspunten voor de begeleiding, zoals dat de heup van A snel uit de kom kan raken bij het draven. Daarom moet tijdens het draven een been handmatig worden gefixeerd. Het voorgaande betreft natuurlijk een summiere weergave van het plan.

Het belang van het ruiterplan voor het lid is dat minstens een keer per jaar gesproken wordt over de mogelijkheden die de ruiter heeft op hippisch gebied. Daarnaast is er continuïteit in de begeleiding in het geval een begeleider vervangen wordt, bijvoorbeeld vanwege vakantie. Met het ruiterplan kan de vervanger snel worden bijgepraat over de doelen en over de aandachtspunten van diegene die hij begeleidt. De kwaliteit en de veiligheid kunnen zo gewaarborgd worden. De meeste ruiterplannen bevatten doelstellingen om de rijvaardigheid van het lid te verhogen. We kunnen daarmee stellen dat met onze aanpak de ruiters steviger in het zadel komen te zitten.

Een zinvolle dag op De Straalhoeve

Vrijwilliger Carolien BlomHoe geef je mensen met dementie een zinvolle dagbesteding? Dat is een vraag waar veel professionals en mantelzorgers zich mee bezighouden. Vaak kunnen thuiswonende patiënten een deel van de week naar een centrum voor dagbesteding toe. Een leuke variant daarop is een zorgboerderij. Onlangs kon ik zo’n boerderij bezoeken samen met twee ondernemers die hun boerenbedrijf voor deze vorm van zorg beschikbaar willen gaan stellen.

We worden hartelijk ontvangen door Carola van Staaveren van De Straalhoeve in Vijfhuizen. Zij ontvangt drie maal per week een groep van maximaal zes gasten. Bij ons bezoek zijn er zowel mensen met dementie als met lichamelijke beperkingen aanwezig, maar mensen met psychische problemen zijn ook welkom. Carola heeft acht jaar geleden de voormalige melkveehouderij van haar vader overgenomen. De koeien zijn verdwenen, maar er zijn nog beesten als varkens, schapen en kippen. Ook is er een tuin waarin bloemen, groenten, bessen en aardbeien worden geteeld. Veel gewassen zitten gewoon in de grond, maar de aardbeien zijn op stahoogte gebracht zodat ze makkelijker te plukken zijn. Een deel van de producten wordt verkocht en een ander deel gaat in de soep voor bij de lunch.

De gasten worden ’s morgens als familieleden ontvangen met een handdruk of een zoen op de wang. Een tijdje later rijdt vrijwilliger Carolien Blom met een van de gasten naar een bakker en een restaurant om oud brood op te halen. Dat wordt vervolgens in de kantine in grote stukken gesneden voor de schapen en in kleine blokjes voor de kippen. Een ander is bezig om groenten uit de tuin te snijden voor in de soep. Er zijn ook gasten die samen met vrijwilligers de dieren eten en drinken geven en de stallen helpen schoonmaken. De kantine vormt het kloppend hart van dit zorgbedrijf. Hier wordt uitgebreid koffie gedronken, geluncht en ’s middags wordt er de thee opgediend. Werken en koffiedrinken vindt plaats in een ongedwongen en gezellige sfeer. Er is op een boerderij altijd genoeg werk te doen, maar niets moet. En waarschijnlijk tot opluchting van een deel van de gasten is er ook geen verplichte bingo.

De ondernemers kregen goede tips mee, bijvoorbeeld dat het belangrijk is om voldoende vrijwilligers te hebben. Reken hierbij op een vrijwilliger per gast. En nog belangrijker is dat wordt nagegaan of de gast zich thuis voelt op een boerenbedrijf; kijk goed naar de mens achter de patiënt! Verder het advies om klein te beginnen met een of twee gasten. In de opbouwfase kan ondertussen worden gewerkt aan het behalen van de nodige kwaliteitskeurmerken op het gebied van hygiëne en veiligheid. Daarnaast moeten activiteiten voor de gasten worden ontwikkeld. De toekomstige zorgboerin gaf aan dat ze al een mooie activiteit in huis had, namelijk het verzorgen van paarden. Maar ook hier zal het van de gast afhangen of hij paarden eng vindt of er helemaal blij van wordt.

Een belangrijke voordeel van een zorgboerderij als De Straalhoeve is dat de gasten weer midden in het leven komen te staan. Ze maken soep of jam, ze mesten een stal uit of repareren een hek, ze maken de geboorte van een lammetje mee of het overlijden ervan. Maar wat volgens mij het belangrijkste is, is dat ze weer regelmatig contact hebben met personen buiten hun eigen woonomgeving. En wellicht heeft het met de naam van de boerderij te maken, maar met deze manier van omgaan met mensen met dementie zie je ze weer gaan stralen.

 

De juf is een master

Afbeelding

Paulien Knol M.Ed.

Mijn inspanningen zijn niet voor niets geweest, ik ben nu officieel ‘Master of Education’. De opleiding was even wennen. Het was voor mij een tweede natuur geworden om moeilijke zaken in begrijpelijke taal uit te leggen, maar in mijn essays werd een academische schrijfstijl verwacht en moest ik mijn woorden vaak op een goudschaaltje wegen voordat ik ze durfde op te schrijven.

Het opzetten en uitvoeren van een eigen onderzoek vond ik niet het makkelijkste, maar wel het meest bevredigende onderdeel van de master-opleiding. Vooral ook omdat het resultaat goed ontvangen werd door praktijkbegeleiders in zorginstellingen, door mijn onderwijscollega’s en gelukkig ook door de leerlingen.

In het moderne beroepsonderwijs moeten leerlingen telkens aantonen over bepaalde competenties (vaardigheden) te beschikken. Die competenties leren ze onder meer in de praktijk tijdens hun stages. Een probleem is hoe die competenties op een betrouwbare manier beoordeeld kunnen worden, want daar heeft elke praktijkbegeleider en docent een eigen mening over. Om deze reden heb ik samen met de praktijk alle competenties die bij een leerjaar horen in één tabel gezet, met voor elke competentie een beschrijving van de eisen op drie niveau’s: beginner, gevorderd en expert. Uit mijn onderzoek bleek vervolgens dat dit een objectieve beoordeling bevorderde en dat de leerlingen beter snapten wat er van hen werd verwacht.

Voor meer informatie over de competentiematrix verwijs ik naar mijn artikel ‘Een competent oordeel over competenties’ in de Canon Beroepsonderwijs van ECBO:
klik hier voor het artikel.

 

Last van een writer’s block?

Paulien KnolEen deel van mijn blog-lezers vroeg zich openlijk af waarom er geen nieuwe stukjes van mijn hand verschenen. Zou ik soms getroffen zijn door een writer’s block? Gelukkig kan ik ze op dit punt geruststellen want ik schrijf momenteel meer dan ooit. Maar die stukken zijn bedoeld voor mijn zakelijke opdrachtgevers of voor de strenge docenten van de masteropleiding die ik volg. De echte oorzaak moet dan ook worden gezocht in een blokkerende agenda. En dat probleem is niet zo eenvoudig te verhelpen.

Tot anderhalf geleden liep het met de opdrachten voor mijn jonge bedrijf nog niet zo hard. Het inschrijven voor een tweejarige onderwijskundige masteropleiding leek qua time management dan ook geen enkel probleem op te leveren. Maar of de duvel ermee speelde, zodra ik als part-time student zat te zwoegen op mijn eerste essay kwam er een gestage stroom interessante opdrachten op gang waar ik geen nee tegen wilde zeggen.

Ik hoop dat er na het behalen van mijn master (medio 2015) tijd vrijkomt om het bloggen weer op te pakken. En wat ik erg leuk vind is dat ik onlangs figureerde in de blog van iemand anders. Naast ondernemer en student ben ik natuurlijk ook nog steeds docent verpleegkunde. Zie hiervoor de blog van Yvonne van Zuiden: http://www.maakwerkvanonderwijs.nl/docente-paulien-knol-het-blijft-zorgen-voor-mensen/ .

Paulien Knol